Ik ben bioloog. De wetenschap over inheemse planten is ondubbelzinnig. En toch staat er in mijn tuin een laurierkershaag.
De basis is inheems
Mijn voorkeur gaat altijd uit naar inheems en in mijn tuin kun je zien wat dat in de praktijk betekent. Twee jaar geleden heb ik een vijver aangelegd, vlak bij het huis zodat ik het leven eromheen het hele jaar door vanuit de keuken kan volgen. De vijver is bijna volledig ingericht met inheemse oeverplanten: gele lis, dotterbloem, penningkruid, moerasvergeet-mij-nietje, wolfspoot, echte koekoeksbloem, krabbenscheer, aarvederkruid en pijlkruid.
Op de vijverrand had ik een specifieke functie nodig: wintergroen, laagblijvend, en in staat om een lelijke rand te bedekken. Inheemse bodembedekkers die aan al die eisen voldoen zijn er niet. Dus zocht ik naar uitheemse soorten die de functie wel vervullen, maar ook ecologisch iets toevoegen. Ik kies dan niet zomaar wat mooi is, maar een plant die bijdraagt aan variatie in bloeitijd en structuur voor algemene soorten en bestuivers. Kleine maagdenpalm bloeit vroeg in het voorjaar, op een moment dat het inheemse aanbod nog beperkt is. Goudaardbei (Waldsteinia ternata) bloeit iets later, bedekt de bodem dicht en verdraagt droogte. Deze uitheemse planten waren dus een bewuste keuze binnen de randvoorwaarden van die plek.
Inheemse planten zijn door een lange co-evolutie verbonden met het lokale dierenleven, wat de meeste uitheemse soorten niet zijn. Zeker voor specialistische insecten die afhankelijk zijn van één waardplant en zonder die waardplant niet kunnen voortplanten, zijn inheemse planten belangrijk.
Daarom is de basis van mijn tuin inheems: naast de vijver, hebben we een gemengde haag van meidoorn, egelantier, liguster, beuk, veldesdoorn en hulst. Omdat deze voornamelijk onder de grote lindebomen staat, hebben we voor soorten gekozen die tegen droogte en minder lichtval kunnen. En ik heb een gedeelte bostuin onder de grote lindes met hazelaar, taxus, grote brandnetel en klimop waar ik de natuur grotendeels haar gang laat gaan. Verspreid over de borders staan bijvoorbeeld witte dovenetel, teunisbloem, judaspenning en smeerwortel.
Maar niet elke plek werkt mee
Inheemse planten blijven voor mij de basis, maar niet elke plek laat zich zo eenvoudig invullen. Als ik iets wil met een specifieke functie op een specifieke plek, zoals bijvoorbeeld langs de vijverrand, en inheems is daar niet de beste keuze, dan kijk ik welke uitheemse soort op die plek de hoogste ecologische waarde heeft.
De grens aan de achterzijde van mijn tuin, op droge Brabantse zandgrond, onder de twee lindes van ongeveer 150 jaar oud en een grote oude esdoorn is zo’n plek. De tuin grenst daar aan een parkeerplaats en de grote bomen onderscheppen het regenwater onderscheppen, voordat het de bodem bereikt en ze nemen licht weg. Omdat ik daar jaarrond privacy wil, heb ik gekozen voor een sterke heg van laurierkers, die er in februari net zo staat als in augustus en bestand tegen droogte, schaduw en wortelconcurrentie. Twee jaar na het planten groeit de laurierkershaag daar nog nauwelijks, maar omdat we gelijk een grote maat hebben besteld, is de privacy al een heel eind geregeld.
Laurierkers bloeit in april en mei, maar ook als je de haag regelmatig terugknipt trekt hij hommels en zweefvliegen. Na de bloei komen donkerrode bessen die vogels eten, dus de haag is ecologisch toch interessant. Daarnaast ben ik gek op de geur van bloeiende laurierkers. Een geur die ik ken van mijn kindertijd, van de struiken in de buurt waar ik speelde, heerlijk.
Elders in onze tuin staat al jaren een coniferenhaag op de grens met de buren. Die laten we staan omdat hij schuilplaats is voor kleine zoogdieren en nestplaats voor vogels, zoals de heggenmus. Ook een plant die je zelf niet zou kiezen kan ecologische waarde hebben als hij er eenmaal staat. Maar voor insecten doet hij weinig. Zelf zou ik nu kiezen voor taxus, vanwege de bessen en de dichte structuur, of voor laurierkers.
De keuze die ik maak
De keuze die ik maak, gaat niet alleen over herkomst, maar ook over ecologische waarde en over wat over wat een specifieke plek vraagt.
Invasieve soorten die inheemse planten verdringen, vermijd ik, monoculturen die geen enkel dier iets bieden ook, en planten die uitsluitend decoratief zijn en verder niets doen in het systeem van de tuin sla ik over bij de kweker.
Maar op een moeilijke standplaats, waar inheemse soorten geen optie zijn, kies ik voor een uitheemse plant die ecologisch bijdraagt. Die krijgt een plek in mijn tuin, naast de dotterbloem, de brandnetels vol rupsen en de bloemen van teunisbloem die oplichten in de avond. De vraag is niet alleen of een plant inheems is. De vraag is wat hij doet op die specifieke plek, in jouw tuin.
