Auto uit, laarzen aan. Het is een automatisme geworden. Ik was met een collega een klein stuk bosschage aan het onderzoeken, ingeklemd tussen drie snelwegen. De opdrachtgever verwachtte weinig problemen, zo’n klein stukje grond zou toch geen belemmering zijn voor de reclamezuil die er moest komen.

We zetten cameravallen neer, omdat we zeker moesten weten welke soorten er zaten. En dat is in een momentopname overdag niet met zekerheid te zeggen. Het bekijken van de foto’s is achteraf altijd een verrassingsei. Je weet nooit wat er tussenzit.

Deze keer vonden we foto’s van ree, das en wezel. Op dat ene stukje grond tussen de snelwegen! Blijkbaar is zelfs zo’n plek geen leegte. Het laat ook zien dat er op een heel klein stukje natuur veel verschillende soorten aanwezig kunnen zijn. Dat is dus niet altijd afhankelijk van de grootte van het gebied, maar ook van de verbinding met andere gebieden.

Het laat ook zien hoeveel leven er zit op plekken waar niemand het zoekt, en hoe weinig wij mensen gewend zijn daarop te letten. Je kunt, door op een bepaalde manier naar de natuur te kijken, al een inschatting maken van welke soorten er voor kunnen komen. Datzelfde geldt voor tuinen. De meeste mensen weten niet wat er in hun tuin leeft, omdat ze niet weten waar ze op moeten letten. Heb jij wilde dieren in je tuin?

Wat een bioloog ziet

Door jaren veldonderzoek in heel Nederland en in het buitenland heb ik een manier van kijken ontwikkeld die nu grotendeels onbewust gaat. Maar die manier van kijken is wel aan te leren. Als ik ergens een nieuw gebied inloop, weet ik meestal al welke soorten in dat gedeelte van Nederland voorkomen. En als ik het niet weet, zoek ik het op. Bijvoorbeeld op Waarneming.nl of in de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF).

Dan lees ik het landschap. Ik kijk naar de structuren: is er water? Zijn er bomen? Hoe dicht is de begroeiing? Zijn er stapels stenen of takkenhopen? En hoe ligt het gebied in relatie tot de omgeving? Lopen er verbindingen naar andere groene plekken? En zo verder.

Op basis van dat beeld weet ik meestal al welke soorten ik kan verwachten. Dan pas ga ik gericht zoeken naar wissels, sporen, braakballen, meststrepen en geluiden. En negen van de tien keer klopt het. Dit heeft me tijdens mijn werk veel nutteloos extra onderzoek bespaard. Als de juiste structuur ontbreekt, is de kans klein dat de soort er voorkomt. Als de structuur er wel is, is het de moeite waard om verder te kijken.

Een oude schuur aan de rand van een dorp met een opening hoog in de muur; ik hoefde niet lang na te denken. Dat is potentieel uilengebied: steenuil, kerkuil. Nader onderzoek in de schuur bevestigde het: braakballen op de grond, meststrepen op de balken.

kerkuil, wilde dieren in je tuin, pexels-jvdm-1526404 (1)

Losse elementen vormen samen een leefgebied

Wat ik in al die jaren veldwerk heb geleerd, is dat je een gebied kunt zien als een verzameling van losse elementen die samen een geheel vormen. Niet één element bepaalt wat er leeft, maar de combinatie. Van elke diersoort weet je welke elementen nodig zijn voor een leefgebied. Als ik rondkijk, zie ik welke elementen aanwezig zijn en welke ontbreken. Die puzzel ik aan elkaar om te beoordelen voor welke soorten er leefgebied aanwezig is.

Een hoop takken is een potentiële overwinteringsplek voor een egel of amfibieën, schuilgelegenheid voor een steenmarter, leefgebied voor muizen, die op hun beurt voedsel zijn voor uilen. Elk element heeft een functie, en die functies vormen samen het leefgebied.

Daarnaast gaat het ook om de functie in het grote geheel. Soms is in het gebied dat ik onderzoek alleen een hoop takken aanwezig, maar is er een paar honderd meter verderop een vijver of sloot aanwezig. Dan weet ik dat de takkenhoop misschien wel onderdeel is van het leefgebied van de amfibieën die zich in die watergang voortplanten. In mijn gebied is de takkenhoop dan bijvoorbeeld het winterhabitat. Dus ondanks dat niet alle onderdelen van het leefgebied in mijn onderzoeksgebied aanwezig zijn, kan het toch zo zijn dat er amfibieën leven. En dat een belangrijk deel van hun leefgebied in mijn onderzoeksgebied ligt.

In tuinen werkt dat net zo

In een stad of dorp vormen alle tuinen en plantsoenen in een buurt samen een groot leefgebied. Sommige dieren leggen grote afstanden af en hebben een groot leefgebied, zoals bijvoorbeeld egels. Andere soorten, zoals huismussen, hebben een veel kleiner leefgebied. Huismussen vinden alle onderdelen van hun leefgebied binnen een straal van ongeveer 100 meter van hun nest. Dat betekent dat het belangrijk is dat alle onderdelen bij elkaar in de buurt te vinden zijn, anders kunnen de huismussen er niet overleven.

Heb jij wilde dieren in je tuin?

Je hoeft geen bioloog te zijn om te leren kijken als een bioloog. Wat helpt, is jezelf dezelfde vragen stellen die ik stel als ik een nieuw gebied inloop: welke soorten komen in de buurt voor? Wat is hier aanwezig? Zijn er verbindingen met andere groene gebieden?

Als je wilt weten welke dieren in jouw buurt voorkomen en welke dieren mogelijk in je tuin leven, kun je in een verspreidingsatlas kijken. Online zijn verschillende atlassen te vinden, bijvoorbeeld de Flora & Fauna Verkenner van de NDFF.

Daarna kun je kijken naar de structuur van je tuin. Zijn er plekken waar dieren zich kunnen verschuilen: een stapel takken, een dichte struik, een donkere hoek? Is er water? Zijn er verbindingen met de tuinen van buren of een plantsoen of park in de buurt? Al die elementen vormen samen een leefgebied en kunnen aangeven of soorten die in de buurt voorkomen ook in jouw tuin leven.

Wil je weten welke dieren er al in jouw tuin komen? Met de app ObsIdentify op je telefoon kun je dieren en planten op foto herkennen en je waarnemingen direct opslaan in Waarneming.nl.

atalanta op grote brandnetel, wilde dieren in je tuin: pexels-mikebirdy-4168292

Hoe krijg je meer dieren in je tuin?

Als je weet wat een dier nodig heeft om ergens te leven, kun je ook omgekeerd redeneren: welke dieren kun je aantrekken? Een tuin die voor mensen netjes en opgeruimd oogt, is voor dieren vaak niet zo geschikt als leefgebied. Want wat wij rommel vinden, is voor dieren vaak juist wat ze nodig hebben.

Een hoop takken of bladeren in een hoek is voor een egel bijvoorbeeld een potentiële overwinteringsplek. Een groepje brandnetels is een kraamkamer voor diverse soorten vlinders. En hoewel je natuurlijk niet je hele tuin vol wilt zetten met brandnetels, is het wel belangrijk hier over na te denken. Welke dieren komen er bij jou in de buurt voor? Wil je graag de biodiversiteit verhogen? Of wil je specifieke soorten helpen?

Begin met inrichten van jouw tuin voor dieren

Dus kijk in de verspreidingsatlas welke dieren in jouw buurt voorkomen. Als je weet welke soorten er bij jou in de buurt voorkomen, kun je stap voor stap elementen gaan toevoegen om leefgebieden te creëren voor de soorten die je wilt aantrekken.

Ik wilde zelf altijd heel graag een vijver in de tuin, maar omdat we kleine kinderen hadden, hebben we daar mee gewacht tot ze groot genoeg waren. We zijn daarom begonnen met winterhabitat voor egels en amfibieën. Eerst hebben we één hoek van de tuin bewust ingericht voor dieren en dat verder met rust gelaten. We hebben een aantal inheemse struiken in de border aangeplant en daaronder op een beschutte plek takken- en bladerhopen gemaakt. Daarna hebben we geleidelijk steeds meer elementen toegevoegd. Na een aantal jaren wachten hebben we twee jaar geleden eindelijk onze vijver gemaakt.

Water is belangrijk voor dieren in je tuin

Omdat water belangrijk is voor vrijwel alle soorten, kun je daar echt een dierenhotspot mee maken. Een vijver trekt amfibieën, insecten en vogels, en verhoogt de biodiversiteit zichtbaar. Maar mocht je net als wij kleine kinderen hebben of niet zo goed weten waar een vijver zou passen in de tuin, dan kan een ondiepe schaal op de grond al genoeg zijn voor bijvoorbeeld een egel of bijen om uit te drinken.

Op dit moment zitten wij thuis in een verbouwing, en ook de tuin is hiervoor in gebruik, dus het is even geen paradijs voor de dieren in de tuin. Maar onze vijver is altijd een trekpleister voor allerlei verschillende soorten. De familie zwarte kraaien komt elke dag even slakken vangen en opeten natuurlijk. Ook het jong van vorig jaar hebben ze geleerd hoe dat moet. De huismussen komen badderen en de merel komt regelmatig wat drinken. Ik kan niet wachten om de rest van de tuin ook weer geschikt te maken voor onze tuindieren.

Naast inrichten ook verbinden

Als je een stukje van de tuin bewust hebt ingericht voor dieren, is het natuurlijk ook leuk als de dieren er echt kunnen komen. Voor vogels is dat niet zo moeilijk, die vliegen wel over de schutting heen. Maar voor kleine zoogdieren is dat niet zo makkelijk. Dus begin met een kleine opening in de schutting; 13 x 13 cm is groot genoeg voor egels en voor de meeste katten net te klein. En misschien vinden de buren het ook een goed idee om het hek te vervangen door een haag. De dieren kunnen dan ook jouw tuin als deel van hun leefgebied gebruiken.

Al deze kleine elementen in jouw tuin en die van de buren samen vormen uiteindelijk een groter leefgebied voor de diersoorten in jouw buurt. En alle tuinen in Nederland beslaan samen 45.000 hectare, dat is een groter gebied dan de Veluwe!


Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *