Aan het einde van onze straat stond vorig jaar ineens een bijenhotel. Neergezet door de gemeente, midden op een gemaaid gazon naast de weg. Op die plek zijn geen bloemen in de buurt, geen variatie in planten, alleen kort gemaaid gras en een paar bomen.
Ik noem ze verdwaalde bijenhotels: hotels die ergens zijn neergezet door een bedrijf of gemeente zonder na te denken over de locatie, en zonder te kijken of er in de omgeving überhaupt leefgebied voor bijen en wespen aanwezig is.
Ik loop er elke dag langs voor mijn dagelijkse wandeling en wist al toen hij werd geplaatst dat er misschien alleen een verdwaalde bij in zou komen. Want een bijenhotel is geen magisch object dat bijen aantrekt. Het is een onderdeel van een groter ecologisch systeem. En als dat systeem niet klopt, blijft het hotel leeg, hoe goed het hotel zelf ook is.
Voor wie is een bijenhotel eigenlijk bedoeld?
Laten we beginnen bij de naam, want die wekt verkeerde verwachtingen. Een bijenhotel is geen thuis voor honingbijen, die leven in volken en hebben een kast nodig, geen nestblok of bijenhotel. De bewoners van een bijenhotel zijn solitaire bijen en wespen: honderden soorten die alleen leven, elk vrouwtje voor zichzelf. Ze bouwen geen volk, verdedigen geen nest, en steken daarom ook nauwelijks. Ze komen en gaan stilletjes, werken alleen en vallen nauwelijks op.
Wie wonen er dan in het bijenhotel?
Daarbij is het goed om te weten dat er twee groepen solitaire wespen en bijen zijn: soorten die ondergronds nestelen en soorten die bovengronds nestelen. Die eerste groep, en dat is de meerderheid, heeft niets aan een hotel. Zij graven hun gangen in de bodem en zijn afhankelijk van open zand. De bovengrondse soorten zijn de hotelgasten. In de natuur nestelen zij in holle stengels, stengels met merg zoals braam en vlier, en in gangen die andere insecten hebben achtergelaten in dood hout. Een bijenhotel bootst dat na. Het is geen menselijke uitvinding, maar een imitatie van wat er in de natuur al bestaat en daarom moeten de gangen ook kloppen qua afmeting, materiaal en afwerking.
Het hotel is voor deze soorten dan ook niet alleen een kraamkamer. Het zorgt voor de functies die holle stengels in de natuur ook verzorgen: een slaapplek, een schuilplek bij slecht weer en een overwinteringsplek.
Als je je afvraagt waarom het bij jouw hotel zo stil is, zijn er drie mogelijke oorzaken.
1. Het bijenhotel zelf deugt niet
Bijenhotels staan alleen in woonwijken zoals bij ons, maar ook op bedrijventerreinen. Als ecoloog heb ik meegewerkt aan projecten waarbij bijenhotels onderdeel waren van een duurzaamheidspakket voor bedrijven. Ik probeerde dan betere exemplaren te bestellen dan wat er standaard wordt verkocht, exemplaren die kloppen qua afmeting, materiaal en afwerking, maar vond ze nauwelijks.
Want de kwaliteit van het hotel bepaalt mede of het wordt gebruikt. Een bijenhotel met boorgaten die ruw zijn afgewerkt en rafelrandjes achterlaten wordt niet gebruikt, omdat een beschadigde vleugel de overleving in gevaar brengt. Een wilde bij kiest een nestgang die precies past, glad van binnen, droog. De gangen die het meest in trek zijn lopen van 2,5 tot 8 mm in diameter. Scheuren in het hout door te zachte materialen of gaten die door en door geboord zijn, zijn redenen voor een bij om verder te zoeken.
2. Het bijenhotel staat verkeerd
Een bijenhotel moet zonnig staan of hangen, met een vrije toegang en stabiel bevestigd. Een hotel in de schaduw, tegen een koude muur of op een plek met veel wind is niet geschikt. Een wilde bij kiest een nestgang die zonnig genoeg is om haar larven goed te laten verpoppen. Ook een dakje tegen regeninslag kan hierbij helpen. Als de basisomstandigheden niet kloppen, zoekt ze verder.
3. De omgeving klopt niet: dit is de voornaamste reden
Dit is waar het bij de meeste bijenhotels misgaat, ook als het hotel zelf goed is. Het is een herkenbaar beeld, verdwaalde bijenhotels. Niet alleen in woonwijken zoals bij ons, maar ook op bedrijventerreinen.
Solitaire bijen hebben een actieradius van honderd tot driehonderd meter. Buiten die straal liggen de bloemen te ver weg voor een klein bijtje dat zes weken leeft en in die tijd twintig broedcellen moet aanleggen: elke broedcel gevuld met stuifmeel en nectar voor één larve. Een strak gemaaid gazon biedt dat niet. En borders vol dubbelbloemige sierplanten ook niet. Dat is mooi voor het oog, maar voor een bij zijn het bloemen waar ze niet bij kunnen.
Wat bijen nodig hebben is een gevarieerd aanbod aan bloeiende planten (liefst inheems) dat het hele seizoen doorloopt, van maart tot oktober. Vroeg in het jaar zijn bomen en struiken onmisbaar. Wilg, meidoorn en fruitbomen bloeien als er verder nog nauwelijks iets bloeit. Later in het seizoen nemen kruidachtige planten het over. Wie alleen zomerbloeiers heeft, laat de vroege soorten verhongeren.
Daarbij komt dat niet alle bijen generalisten zijn, zoals de rosse metselbij. De rosse metselbij is weinig kieskeurig en bezoekt een breed scala aan planten. Maar sommige soorten zijn specialisten, die afhankelijk zijn van één bepaalde plantengroep. De blauwe metselbij heeft bijvoorbeeld slangenkruid nodig. De resedamaskerbij komt alleen af op reseda. Zonder die specifieke plant is het leefgebied voor die soort ongeschikt, hoe mooi het hotel ook is. Een grote diversiteit aan inheemse planten vergroot de kansen dat er voor generalisten en specialisten iets te vinden is.
En dan is er nog iets wat de meeste mensen niet weten: ongeveer tachtig procent van de wilde bijensoorten in Nederland nestelt helemaal niet in een hotel, maar in open zand: de ondergronds nestelende soorten.
Een vosje in de tuin?
Neem het vosje, een kleine zandbij met een dichte roodoranje vacht, vandaar de naam. Ze nestelt onder de grond, in open zand, graaft een gang van soms tien centimeter diep en legt daarin haar eitjes, zorgvuldig ingepakt met stuifmeel en nectar. Het vosje heeft niets aan een bijenhotel.
Misschien ben je de nesten van zandbijen wel eens tegengekomen. De nesten zien eruit als een hoopje zand van twee tot vier centimeter hoog met een ronde ingang zo dik als een potlood. Als het regent verdwijnt het hoopje zand, en je zou er zo overheen lopen zonder te weten wat er zich onder je voeten bevindt. Zelfs een perfect hotel op een perfecte plek bereikt daardoor maar een klein deel van de wilde bijen die in Nederland leven.
Wie komt er dan wel in een bijenhotel in je tuin?
Wie een bijenhotel in de tuin neerzet (en als de omgeving klopt) kan de rosse metselbij tegenkomen: een brede, rossig behaarde bij die stuifmeel verzamelt op haar buik in plaats van op haar poten, waardoor ze er uitziet alsof ze een goudgeel vest draagt. Ze nestelt graag in bijenhotels van april tot juni en sluit haar nestgang af met een propje bevochtigde aarde.
Een goed bijenhotel trekt al snel meer dieren aan dan alleen bijen. Een buurvrouw van mij heeft een groot hotel in haar tuin en ziet er regelmatig kleine, druk bewegende insectjes omheen: goudwespen, amper een centimeter groot, met een metaalachtig glanzend lijf dat er in het zonlicht sprookjesachtig uitziet. Vooral de blauwe goudwesp kun je tegenkomen. Dat is een parasitaire wesp die haar eitje in de nestgang van wilde bijen legt. Haar larve eet vervolgens de bijenlarve op. Naast goudwespen kun je ook sluipwespen aantreffen, herkenbaar aan hun slanke lijf en lange legboor. Dat zijn ook parasieten.
Zoals je ziet is een bijenhotel, als het goed staat, geen losstaand object maar onderdeel van een mini-ecosysteem. Als je de tijd ervoor neemt kan je op je gemak bij je bijenhotel gaan zitten om te kijken welke verhalen zich daar allemaal afspelen.
Tip: Met de app ObsIdentify kan je alle aangetroffen dieren bij je bijenhotel, met behulp van een foto, een naam geven.
Wat kun je doen?
Het begint niet bij het hotel. Het begint bij de omgeving.
Zorg voor een gevarieerd aanbod aan bloeiende inheemse planten, bomen en struiken inbegrepen, dat het hele bloeiseizoen doorloopt van maart tot oktober. Niet één soort planten in grote aantallen, maar zorg voor variatie, zodat er voor generalisten en specialisten iets te vinden is. Cruydt-hoeck heeft tegenwoordig het bijen hoeckje in het assortiment, een plantpakket samengesteld i.s.m. met de Bijenstichting.
Laat holle stengels van planten staan in plaats van ze af te knippen, want daar leggen wilde bijen van nature hun eitjes in. En leg een stuk onbedekte, zonnige bodem aan voor soorten die ondergronds nestelen. Een zanderige plek, zonder begroeiing van een halve vierkante meter, onbeschaduwd en ongemoeid van begin maart tot minstens eind juni, is genoeg om te beginnen. Voor een groot aantal van de bijen- en wespensoorten doet dat meer dan het mooiste hotel.
De gemeente heeft het hotel aan het einde van onze straat inmiddels verplaatst naar een plek met meer beplanting. Of er nu bijen in zitten weet ik niet, maar de kans is groter dan toen hij nog hier in de straat stond. Het hotel was nooit het probleem, de kwaliteit was goed, maar het was de omgeving.
Bronnen: Vlinderstichting; WUR / Annette van Berkel, Wilde bijen in mijn tuin; Bijenstichting Nederland; Gasten van bijenhotels, Pieter van Breugel.
