Weet jij nog hoe de buurt bij jullie thuis er vroeger uitzag? De straten en de speelpleintjes? Ik woonde aan een enorm woonerf, waar alle straten van de hele wijk als een rondweg omheen liepen. Daarbinnen was het een groot speelparadijs voor kinderen. Wij woonden in een hele groene wijk, achter onze tuin was een zandbak en daar omheen een wild plantsoen met grote eiken en een enorme bosschages van rode kornoelje, kardinaalsmuts en andere inheemse struiken.

We leerden onszelf klimmen in de grote eik achter onze tuin en dan kon ik vanuit de boom naar mijn moeder op de bovenverdieping zwaaien. Voor het huis was een grote parkeerplaats omringd door eenzelfde plantsoen van inheemse struiken. Omdat ik als kind niet zoveel struiken bij naam kende, weet ik alleen nog dat er wilde kardinaalsmuts en rode kornoelje stonden. Van die laatste kreeg ik namelijk rode bultjes als ik in de struiken speelde en verschrikkelijke jeuk.

We speelden dat ook altijd buiten, de hele dag, behalve als het A-team op tv was. We speelden politie en boefje, tikkertje, mijn halve jeugd speelde zich af rennend in de bosjes met de buurtkinderen en klimmend in bomen. De wijk was ons avontuur.

Nu, 40 jaar later

Als ik nu bij mijn ouders in de wijk rondloop, zie ik aangeharkte plantsoenen onder kniehoogte. Alleen uitheemse soorten. Zelfs de bomen op het pleintje achter het huis zijn vervangen door mediterrane bomen. Rond de parkeerplaats staan ook geen grote bomen meer, maar slanke zuilbomen. Alle inheemse struiken zijn verwijderd. Mijn ouders vragen zich af waar de vogels in de tuin zijn gebleven, die zien ze nog maar zelden.

Ik kan helaas geen oude luchtfoto’s vinden van die tijd. Maar hieronder zie je het verschil tussen de wijk in 2008 en 2018, in tien jaar tijd. Op de luchtfoto’s zijn al duidelijk de verschillen te zien tussen 2008 en 2018. Toen ik nog thuis woonde, ver voor 2008, waren ook de parkeerplaatsen omringd door dichte bosschages, die zijn al voor 2008 verwijderd.

War ik hiermee wil laten zien, is dat we met z’n allen steeds meer in een nette, kale, gecontroleerde omgeving zijn komen te wonen. We hebben de natuur geplaatst in natuurgebieden en in de steden en dorpen is daar bijna geen ruimte meer voor. Het wordt stiller in onze wijken, en dat valt niet altijd op.

wijk in 2008
Wijk in 2018

We zien het niet

Dat deze verandering zo geleidelijk is gegaan, maakt het moeilijk zichtbaar. In de ecologie wordt dit het shifting baseline syndrome genoemd (Pauly, 1995): elke generatie groeit op met een ander beeld van wat normaal is. Wat voor mij een jeugd vol struiken, bomen en rommelige groenstroken was, is dat voor veel kinderen nu geen vanzelfsprekend onderdeel meer van hun leefomgeving. En omdat ze het niet kennen, missen ze het ook niet. Ze weten niet beter. Ze kennen niet de groene wijken waar ik als kind met mijn vriendjes speelde.


Tegelijkertijd zien we planten vaak niet echt. We kennen de plantensoorten niet meer en zien “groen” als decor. Dit wordt ook wel plantenblindheid genoemd: mensen herkennen wel dat iets groen is, maar maken nauwelijks onderscheid tussen soorten, structuren of ecologische functies. Een strak aangelegd plantsoen met tuinplanten voelt daardoor al snel als goed groen, ook als het ecologisch weinig voorstelt. En een gazon met bomen voelt als natuur, terwijl het niet meer is dan decor.

In de jaren 50 kende men in agrarische gebieden vaak nog de namen van nuttige, giftige of geneeskrachtige planten. Tegenwoordig kan een groot deel van de bevolking vaak nog maar 10 tot 20 soorten benoemen, zoals paardenbloem, madeliefje, brandnetel en bramen. Verstedelijking, een veranderde levensstijl en verschuivingen in onderwijs en media hebben hieraan bijgedragen. Omdat we onze omgeving niet goed meer kennen, beseffen we vaak niet wat er nodig is. Onbekend maakt onbemind: juist het zien en herkennen van de natuur motiveert mensen om die te beschermen.

Soort verdwijnen en wijken worden stiller

Onderzoek van Wageningen University & Research en Naturalis laat zien dat juist dit soort nette groenstructuren vaak weinig bijdragen aan insecten en andere soorten. Doordat we minder soorten herkennen én het groen er verzorgd uitziet, valt het nauwelijks op dat de kwaliteit achteruitgaat. Niet alleen omdat het verdwijnt, maar omdat de referentie verschuift. We denken dat we genoeg doen. En juist daardoor voelt het alsof er weinig aan de hand is. Want we doen toch wat? Er komen wadi’s in de wijk. Een groenstrookje langs de weg. Een bijenhotel op het schoolplein.

Gemeenten presenteren prachtige plannen voor meer groen en klimaatadaptatie, en het voelt alsof er wordt gehandeld. En het is ook zeker een goed teken dat groen steeds meer op de gemeentelijke agenda staat. Maar een wadi is waterberging, geen leefgebied, als je het niet inricht als leefgebied. En het bestaat meestal uit een verlaging met gras. En ook plantsoen met lage tuinplanten en een enkele boom is niet hetzelfde als een bosschage met inheemse struiken waar vogels in broeden en insecten overwinteren. En een bijenhotel zonder bloeiende inheemse planten in de buurt is een leeg hotel.

Wat ontbreekt is basisnatuur; de gewone, alledaagse natuur midden in de wijk, voor de algemene soorten. De merel heeft een tuin nodig met wormen in de grond en een struik om in te broeden. De koolmees heeft rupsen nodig in mei, duizenden per nest, van inheemse bomen en struiken. Dat zijn de basisvoorwaarden voor soorten die we allemaal kennen, zoals de merel, en die toch geruisloos verdwijnen.

En verdwijnen doen ze. Bijna 30% van de merels is in een paar jaar tijd verdwenen, volgens Vogelbescherming Nederland en Sovon. Vogels van parken gingen met ruim 6% achteruit. Dat zijn geen zeldzame soorten, maar het zijn de vogels die iedereen kent en die stiekem toch steeds minder te zien zijn.

De verandering

Dat deze ontwikkeling niet houdbaar is, begint ook op beleidsniveau door te dringen. Toch lijkt daar nu verandering in te komen. De Europese Unie heeft wetgeving aangenomen waarin is vastgelegd dat stedelijk groen niet verder mag afnemen en op termijn moet verbeteren. Gemeenten moeten de huidige situatie als nulmeting gebruiken en kunnen niet zomaar meer bomen en bosschages weghalen zonder compensatie. Het is geen perfecte wet, want kwaliteit telt nog te weinig, het gaat alleen om oppervlakte, maar het is een duidelijk teken dat we zo niet langer door kunnen gaan.

Tegelijkertijd is deze verandering niet alleen het gevolg van beleid. Steeds meer mensen worden zich bewust van de afname van biodiversiteit en kijken daardoor anders naar hun leefomgeving. Zo kan echte verandering beginnen.

Beginnen bij wat je zelf kan veranderen

De wijk veranderen is groot en traag en is iets wat voornamelijk bij de gemeente ligt. Maar de tuin is van jou. Een inheemse struik in de border, een hoop bladeren in de hoek. Het zijn kleine dingen, maar voor de merel, de koolmees en de egel zijn het precies de elementen van het leefgebied dat ze nodig hebben. En als onze wijken, straten en pleintjes steeds minder geschikt leefgebied bieden, en de wijken steeds stiller worden, kunnen we ze beter zelf alvast een handje helpen. Want het hoeft niet te stil te blijven, als alle tuinen samen het leefgebied vormen.

Gebruikte bronnen voor dit artikel: Vogelbescherming Nederland; Sovon Vogelonderzoek Nederland; Wageningen University & Research; Naturalis Biodiversity Center; Pauly et al. (1995), Shifting baselines.