Het was een mooi project, iets waar ik echt blij van werd, anders dan ander ecologenwerk dat ik gewend was. De opdracht klonk veelbelovend: meedenken over een nieuwe woonwijk, een gemeente die het anders wilde doen, natuurvriendelijk, met ruimte voor wat er al leefde. Ik begon met een inventarisatie van de aanwezige natuurwaarden.

Het gebied bestond uit akkers, een stuk weiland, een watergang, en twee kleine bosgebiedjes aan de rand. Op het eerste gezicht niet spectaculair. Maar in een van de bosjes vond ik een dassenburcht. Uit mijn onderzoek met cameravallen bleek dat de burcht de das er regelmatig rondliep. Ik bracht de wissels in kaart, de dagelijkse looproutes die dassen generaties lang gebruiken en die je kunt lezen als je weet waar je op moet letten. Waar kwam hij vandaan? Waren er meer burchten in de buurt? Hoe groot was zijn leefgebied, en hoe belangrijk was deze burcht voor de lokale populatie?

Dat uitzoeken, dat in kaart brengen, dat lezen van een landschap, dat is het werk waar ik van houd. Niet zo zeer de rapporten die erop volgen, maar het moment in het veld waarop je begrijpt hoe een dier zijn wereld gebruikt.

De gemeente was minder enthousiast met mijn bevindingen. Ze informeerden hoe we met zo min mogelijk middelen het belang van de dassenburcht konden verminderen. Het uitgangspunt was niet “hoe gaan we hier goed mee om voor de das?” maar, hoe lossen we dit op voor ons?

En ik zag al van verre aankomen dat dit meer impact op de das zou hebben dan alleen de komst van de “natuurvriendelijke” woonwijk. Het leefgebied van de das aan deze kant van de provinciale weg zou worden teruggebracht tot een smalle berm. Al het bestaande grote landbouwgebied was namelijk al bestemd voor woningbouw, alleen nog niet officieel. Salami-methode, noemen we dat in de ecologie: steeds een plakje eraf, nooit genoeg voor groot alarm, maar wel genoeg om iets voorgoed te veranderen.

Ik pleitte voor een onderdoorgang onder de provinciale weg, een corridor naar geschikt bestaand leefgebied of een vervangend leefgebied. Iets wat ervoor zou zorgen dat deze das zijn leefgebied en hol kon blijven gebruiken. Ik hoopte dat in dit geval het idee van de natuurvriendelijke woonwijk de doorslag zou geven. Het ging moeilijker dan andere keren. Ik had geen zin meer in de discussie, in de afweging waarbij natuur altijd verliest zodra financiën leidend zijn. Zelfs voor een natuurvriendelijke woonwijk, een project dat bedoeld was om het anders te doen, was de oorspronkelijke bewoner lastig. Maar de das mocht blijven, zijn bosje en burcht bleven behouden, maar met de verstoring van een woonwijk (de huizen staan tegen het bosje aan) en de afname van voedselgebied: wat heeft hij daar nog te zoeken?

Dat was het punt dat ik moest stoppen met mijn werk als ecoloog. Een andere ecoloog nam het project over en verklaarde de burcht niet belangrijk genoeg om de plannen aan te passen. Ik heb het aan zijn expertise overgelaten en losgelaten, ik had geen keuze.

Maar dat was het moment ,waarop ik wist dat ik ermee moest stoppen. Niet vanwege de das, niet vanwege die ene gemeente, maar vanwege wat dit project me liet zien over het systeem waar ik al jaren deel van uitmaakte. Ik was een vinkje in een procedure. Een ecoloog die aanwezig moest zijn om de vergunning rond te krijgen, die zijn werk zo goed mogelijk deed, maar van wie het resultaat pas echt telde als het paste binnen wat er al besloten was. Als het niet paste, was er altijd wel een andere ecoloog die het anders zag.

Dweilen met de kraan open, zo voelt dat. En op een gegeven moment was ik er klaar mee.

Wat ik wel wist: ik wilde mensen nog steeds bereiken. Niet als ecoloog in een procedure, maar anders. Via verwondering, via tuinen, via de vraag die ik mezelf al jaren stel en die ik ook aan anderen wil stellen: wat zie jij als je naar buiten kijkt? En misschien nog belangrijker: wat zie je niet meer? Wat leeft er om je heen, wat is er verdwenen, en wat kun jij daaraan doen?

Samen zijn we sterker dan een ecoloog alleen die vecht tegen een systeem dat niet wil luisteren. Als burgers, als tuiniers, als mensen die anders zijn gaan kijken, dan kunnen we misschien iets in beweging zetten wat van binnenuit niet lukte.

Mijn echte werk als bioloog zit ‘m niet in rapporten of procedures, maar in hoe wij mensen kijken naar de natuur en wat we daarin weer leren zien. Dat is waarom Van ’t Wilde bestaat.